|
TOESPRAAK van gedeputeerde H.B. van der Goot bij de opening van het uitgebreide onderkomen van de Oudheidkamer
van het Historische Vereniging Nieuwerkerk a/d IJssel op 23 april 1997, 17.00 uur.
publicatie:hvnweb.nl
Dames en heren, Toen het bestuur van de Historische Vereniging Nieuwerkerk a/d IJssel mij vroeg om de officiële opening te verrichten van het uitgebreide onderkomen van de Oudheidkamer, kon ik daar natuurlijk geen 'nee' op zeggen. Dat is overigens wel een beetje uitzonderlijk, want u weet wellicht dat oud-burgemeesters zich in het openbare leven van een vroegere gemeente meestal bewust wat op de achtergrond houden. Daar zijn ook goede een steekhoudende redenen voor. Voor de Historische Vereniging en haar Oudheidkamer maak ik echter graag een uitzondering, ook al omdat ik daarmee een sterke persoonlijk band heb. De Historische Vereniging is voor mij niet zomaar een min of meer willekeurige Nieuwerkerkse organisatie - het is mijn vereniging. Een club waar ik van aanvang af, en nog steeds, lid van ben, en waarvan ik het begin intensief heb meegemaakt. Het is snel gegaan met de Vereniging en de Oudheidkamer. Ik herinner me de start nog levendig. In die tijd, nu dus zo'n jaar of zeven geleden, gaf de omvangrijke verzameling ambachtelijke gereedschappen van de heer Doornhein aanleiding om de Historische Vereniging op te richten. Aanvankelijk was het belangrijkste doel het vinden van een expositieruimte voor die collectie. Er zou een oudheidkamer moeten worden ingericht. Een oplossing werd gevonden doordat de heer Molenaar - lid van het eerste uur - de stal van zijn boerderij met de toepasselijke naam 'Nooitgedacht', beschikbaar stelde. Zo kwam het dat in september 1992, op de Open Monumentendag- de Nieuwerkerkse Oudheidkamer werd geopend. De collectie breidde zich daarna snel uit en al een paar jaar later was het nodig om de expositieruimte te vergroten met de ruimte van de hooiberg. Tegelijkertijd groeide het aantal leden en daarmee het aantal vrijwilligers sterk. De Vereniging en haar Oudheidkamer bewees hiermee over een breed draagvlak onder de bevolking te beschikken. In 1996 werd de expositieruimte met de stalzolder uitgebreid en nu zijn wij hier bij elkaar om de laatste uitbreiding in gebruik te nemen: het gerestaureerde tussendeel dat als ontvangstruimte dienst zal gaan doen en waar groepen ontvangen kunnen worden. Ondertussen woont de familie Molenaar ook nog steeds in de boerderij en kunnen we stellen dat de ontwikkeling van de Oudheidkamer welhaast onlosmakelijk aan het doen en laten van deze familie is verbonden. Ook de laatste restauratie is immers als een initiatief van de heer en mevrouw Molenaar te zien, want als zij niet hadden besloten om 'Nooitgedacht' te restaureren, zou ook de nu te openen nieuwe publieksruimte er niet gekomen zijn. Naast de genoemde ruimtelijke uitbreiding van de Oudheidkamer en de groei van het aantal leden, kwam de Historische Vereniging ook inhoudelijk tot ontwikkeling. Van bewaarder van een aanvankelijk nog wat ongestructureerde verzameling ambachtelijk gereedschap, ontwikkelde zij zich tot een vereniging met een echt beleidsplan, waarin naast een behouds- en documentatietaak ook gerichte aandacht aan de publieksfunctie wordt besteed. Als bijzondere doelgroep worden in het beleidsplan ook scholieren genoemd. Bewust wordt geprobeerd om vanuit de Oudheidkamer een bijdrage te leveren aan de omgevingsgeschiedenis. Aan een stukje cultuureducatie dat tegenwoordig - en naar mijn mening terecht - meer aandacht krijgt dan vroeger. Ik vind het heel goed dat een historische vereniging deze ontwikkeling actief mede vorm tracht te geven. In het beleidsplan is eveneens te lezen dat de Vereniging regelmatig gebruik maakt van de diensten van de provinciale Federatie Cultureel Erfgoed - die tot voor kort Federatie van Musea Zuid-Holland werd genoemd. Ook dat doet mij deugd, want de Federatie is een instelling die door het provinciaal bestuur wordt gefinancierd om juist dit soort taken te verrichten. Om musea en oudheidkamers, maar ook de locale en regionale historische verenigingen in onze provincie te helpen en om deze zo goed mogelijk in hun directe omgeving te laten functioneren. Tenslotte, en daarmee wordt ook nog eens benadrukt hoezeer onze Vereniging van deze tijd is, was ik verrast door het feit dat wat er vandaag hier gebeurt - deze opening - via internet de wereld in wordt gestuurd. Geëmigreerde Nieuwerkerkers kunnen op deze manier bijna direct volgen wat de laatste ontwikkelingen binnen de Vereniging zijn. Een vreemde gewaarwording die je doet realiseren hoezeer de zogenoemde 'nieuwe media' inmiddels in onze communicatie zijn doorgedrongen. Dames en heren, ik heb, denk ik, genoeg redenen genoemd om de toekomst van onze vereniging met vertrouwen tegemoet te kunnen zien. Als medelid feliciteer ik het bestuur, de leden, waarvan er zovelen met grote inzet hun bijdrage leveren en in het bijzonder nog de familie Molenaar, onze huismeester zonder wie onze Oudheidkamer niet dat onderkomen gekregen zou hebben die het nu heeft. Ik dank u voor uw aandacht. |